Over Zuid-Afrika, Nederland en de GOS

OVER ZUID-AFRIKA, NEDERLAND EN DE GOS

Gereformeerd Dagblad, 24e jaargang nr 15, 11 Oktober 1968, 76, 77

Zeer geachte professor Jonker,

In uw “Pleidooi voor een verder contact” — veertien dagen geleden in dit blad — breekt u een lans voor een intens contact tussen de Zuidafrikaanse kerken en onze kerken. Voor dat contact vraagt u om meer en om betere vormen dan de vorm van de GOS De GOS zou door het ten onrechte gebruiken van een synodale procedure een ontoereikend instrument zijn voor het gewenste contact.

Tot zover ga ik graag met u mee. Ook ik meen dat we de relaties met de Zuidafrikaanse kerken niet moeten opgeven, maar veeleer intensiveren. U bent trouwens door uw zeer recente overkomst uit Zuid-Afrika naar Kampen naar wij hopen een van de eersten die ons kan helpen de passende vormen daarvoor te vinden.

Juist omdat ik dus volledig instem met deze hoofdbedoeling van uw betoog wil ik openhartig reageren op wat u nog meer schrijft. Ik hoop dat zo te kunnen doen, dat duidelijk wordt dat ik reageer om verwijdering te voorkomen. Ik dacht dat we elkaar nodig hadden, en dat daar niets tussen moest komen.

Natuurlijk gaat het om wat u schrijft over de GOS 1968, en over het effect daarvan. U meent dat deze GOS niet heeft bijgedragen tot groter wederzijds begrip, maar tot een groter wordende verwijdering tussen de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Zuidafrikaanse kerken. Mijn eerste kritische interruptie is: welke Zuidafrikaanse kerken? Denkt u alleen aan de blanke kerken? Weet u reeds hoe de NG kleurlingenkerk en hoe de NG Bantukerk er over denken? Ik durf daar zomaar het woord verwijdering met bij op te schrijven. Die negenhonderdduizend niet-blanke gereformeerden behoeven toch niet automatisch hetzelfde te denken als wat de blanke gereformeerden vandaag in “Die Kerkbode” schrijven? Wordt de winst- en verliesrekening aangaande begrip en verwijdering tengevolge van deze GOS niet te eenzijdig opgemaakt, indien niet verwerkt wordt wat de ZA niet-blanke kerken (en wat de blanke oppositie in en naast de blanke kerken) van ons hier en van deze GOS denken ?

Midden in uw artikel schrijft u dat het naar uw mening in Lunteren niet tot echte communicatie is gekomen. Er was, door verschil in denkklimaat, geen enkele mogelijkheid van begrip voor het standpunt van de anderen. Weer dezelfde kritische interruptie mijnerzijds: is hier misschien eenzijdig vanuit een bepaalde groep gedacht? Weet u, die geen synodelid was, inderdaad dat voor het gevoel van alle blanke en van alle niet-blanke delegatieleden uit Zuid-Afrika het aan communicatie en begrip heeft ontbroken ? Om kort te gaan, ik mis in uw benadering het inclusief denken, d.w.z. het ook met de andere groepen meedenken. Bovendien meen ik dat er veel meer communicatie is geweest dan u weergeeft.

Daar komt nu als tweede het volgende bij: ter synode is wel gesteld dat onze veroordeling van de apartheid zondig is (de geest van de revolutie, zo hebben we te horen gekregen). Van andere zijde is gesteld, dat de apartheid vijandig staat tegenover het evangelie het minderheidsrapport, met steun van een derde deel van de synode). Stel dat een van beide overtuigingen juist is, en dat de andere partij zich tegen een in de H.S. gefundeerde vermaning verhardt. Moet ook in zo’n situatie worden volgehouden dat we “onder de indruk moeten komen van elkaars bijbelgetrouwheid”? Moeten we in de situatie die ik stel “wachten tot we elkaar werkelijk gevonden hebben”? Is werkelijk “eerst dan pas de tijd gekomen om elkaar te vermanen”, zoals u schrijft? Dreigt bij uw standpunt niet het gevaar dat de roeping van de kerk om te onderscheiden wat de wil van God is, en wat niet, van alle ernst wordt beroofd?

Wij weten van de verschrikkelijke mogelijkheid van het “geen gehoor geven” aan wat om Gods wil en om derwille van de mensen gehoor verdient. Dat kan tijdelijke verblinding zijn, dat kan soms tijdelijke verharding of erger zijn. Maar in elk geval is dat “geen gehoor geven” een mogelijkheid. De bij passende mogelijkheid is dat dan anderen voor de moeilijke opgave staan van broederdienst in de vorm van duidelijke taal. “You sometimes have to be cruel, in order to be kind” , schreef eens iemand. Vrij vertaald: “je moet het wel eens hard spelen, om het werkelijk in het belang van de ander te spelen”. Het ongemotiveerd aan die mogelijkheid voorbijgaan, via een soort symmetrie (waar twee kijven, hebben twee schuld), doet even sympathiek aan. Maar kan dat niet naar onbillijkheid en naar relativisme tenderen?

Ik meen daarom dat het niet mogelijk is verantwoord beide partijen gelijkelijk te laten dragen aan het oordeel “geen communicatie”, tenzij er eerst kleur is bekend en antwoord is gegeven op de vraag: is er sprake van zonde, en van weigering van de broederlijke vermaning, ja dan nee. U heeft een zeer te waarderen poging om een bemiddelende plaats in te nemen helaas gecombineerd met dat oordeel: geen communicatie. Daarmee heeft u het onmogelijke willen doen en het onbillijke niet vermeden.

Om verder te gaan: in uw benadering ontbreekt het element dat dit de derde GOS is, die zich er mee bezig houdt. Vijftien jaren, en dan nog wachten tot we elkaar gevonden hebben, voordat de tijd is gekomen om elkaar te vermanen? U weet beter dan ik met hoeveel consequentie de apartheid in die vijftien jaren aan de niet-blanken door de blanken is opgelegd. Iedereen weet dat de delegatie van de Gereformeerde kerken in Nederland vijf jaar geleden in Grand Rapids het zeer voorzichtige en impliciete spreken heeft toegepast. Wij hebben het gevoel dat de daaruit ontstane resoluties door de blanke Zuidafrikaanse kerken niet in hun beleid zijn verwerkt. Integendeel. En erger nog, die resoluties van Grand Rapids 1963 zijn voor het Internationaal Gerechtshof door een official van de blanke Nederduits Gereformeerde Kerk, dr Gericke, ten onrechte gebruikt om te bewijzen dat de GOS achter de apartheid staat. Ik begrijp zo wel, prof. Jonker, dat u daar niet gelukkig mee geweest bent. Maar wie heeft dus veroorzaakt dat de fase van het impliciete spreken in 1968 moest worden vervangen door die van het expliciete spreken? Is dat nu Verkuyl of Van der Veen, of is dat dr Gericke en zijn kerk, die hem na het ongelukkige optreden in Den Haag niet berispt heeft, maar wel heeft afgevaardigd naar de door zijn doen met de apartheid verbonden GOS 1968? Is trouwens expliciet spreken, en de eerste boosheid van de aangesprokene, geen vorm van communicatie? Maar terug naar het eigenlijke punt: aan uw schrijven ontbreekt de historische dimensie. Kant u dan toch volhouden: eerst dit en dat dan pas is de tijd gekomen om te vermanen?

Tenslotte nog dit: in uw artikel staat een weergave van de kritische gevoelens die er in Nederland leven t.a.v. Zuid-Afrika, en andersom. Uw weergave van die eerste omvat drie elementen: overwoekering van de kerk in Zuid-Afrika door het nationalisme: ten tweede: twijfel aan de goede trouw van sommige Zuidafrikaanse afgevaardigden; ten derde: pleidooien voor het loslaten van de GOS omdat praten met de mensen van Zuid-Afrika toch geen zin meer heeft. U geeft deze gevoelens weer. zonder precies duidelijk te maken of de afgevaardigden van onze kerk er zo over denken. Dat is nogal belangrijk, omdat u daarna schrijft: de afrikaanse afgevaardigden zien de zaken weer uit hun eigen gezichtshoek. Om hierdoor gewekte misverstanden weg te nemen: het pakket van gevoelens t.a.v. Zuid-Afrika dat u weergeeft is zeker niet identiek met het standpunt van de nederlandse delegatie. Niemand moet bijv. van ons advies verwachten in de zin van: uit de GOS, praten met Zuid-Afrika heeft geen zin meeer.

De Zuidafrikaanse kritiek op onze kerken en op onze delegatie wordt in uw artikel breed uit gemeteten, en staat dus onder het zinnetje: de ZA afgevaardigden zien de zaken weer uit hun eigen gezichtshoek. Daarna volgen een aantal beschuldigingen die onwaar, ten dele onwaardig zijn. We moeten horen over de indruk dat onze kerken in de ban gekomen zijn van een gevaarlijk liberalisme, waardoor zij (en dat slaat dan op onze delegatie of op een deel daarvan, ondanks het feit dat we eenstemmig gestemd hebben) meer er op gesteld zijn hun eigen image bij revolutionaire groepen te bewaren, dan werkelijk een eerlijk gesprek te voeren met medebroeders. We moeten horen van ene versakte besef van sinodale moraal” Uiteraard wordt de VU, maar ook ons synode-oordeel over de Wereldraad in verband in verband gebracht met bijbelontrouw en belijdenisontrouw. Zn er is nog meer.

Mijn eerste opmerking: als dit de publieke reactie van de Zuidafrikaanse afgevaardigden is, dan zijn sommigen van die afgevaardigden die wij in Lunteren ontmoet hebben voorbijgezien, bang om te spreken of monddood. Wij hebben binnen en buiten de rassencommissie betere reacties gehad.

Maar verder: u, prof Jonker, schrijft na de weergave van al deze kritiek: “het is niet mijn taak te beoordelen of er elementen van waarheid schuilen in de vermoedens die men van elkaar koesterde.” “Ik ben alleen maar diep ongelukkig over te situatie die daardoor ontstond.”

Welnu, prof Jonker, ik ben niet alleen ongelukkig over de situatie van zulke stukken in “Die Kerkbode van Zuid-Afrika”, maar ook een beetje over her feit dat u zulk soort beschuldigingen wel publiceert maar niet ook beoordeelt. Uw verontrusting over zulk geschrijf in Zuid-Afrika kan ik wel raden. Uw uitstekende bedoeling, nl. om een bemiddelende plaats in te nemen en om daarom niet te oordelen, is mij duidelijk. Maar heeft u niet over het hoofd gezien dat zulk publiceren zonder beoordeling suggestief is, ook waar dit allerminst bedoeld is? Zijn mensen uit gemakzucht niet vaak geneigd te vervallen aan de conclusie: waar rook is, daar zal ook vuur zijn. M.a.w. heeft u de grens van de behoedzaamheid hier wel goed getrokken?

Ik schrijf dit alles, omdat ik niet wil dat er iets blijft zitten, en omdat ik er vrij zeker van ben dat uw eerstvolgende artikel ons meer zal helpen dan dit. En dat heeft de zaak van vruchtbare wederzijdse beïnvloeding tussen Zuid-Afrika en Nederland broodnodig.

Met hartelijke groet.
RJ.van der Veen
76

Zeer geachte ds van der Veen,

Met grote waardering heb ik uw brief gelezen. Ik wil niet ontkennen dat de vragen die u stelt, inderdaad met goed recht gesteld kunnen worden. Het is niet uitgesloten dat de afgevaardigden van de betrokken kerken in Zuid-Afrika ook van hun kant bezwaar zullen hebben tegen wat ik geschreven heb. Ik kan mij best voorstellen dat de betrokkenen anders over de zaken zullen denken dan waarnemers. Ik ben dan ook niet van plan mijn schrijven te verdedigen, want ik begrijp op grond van uw brief wel dat mijn schrijven veel beter had moeten zijn, wilde ik alle misverstanden voorkomen.

Als ik toch iets mag zeggen, wil ik graag beklemtonen dat het natuurlijk niet mijn bedoeling geweest is de afgevaardigden van de Geref. Kerken in een kwaad licht te stellen of iets af te doen op mogelijke goede contacten met de niet-blanke kerken of (in het persoonlijke vlak) zelfs met afgevaardigden van de blanke kerken. Ik wilde alleen de aandacht vestigen op een situatie, die naar mijn weten niet weg te redeneren valt, namelijk dat de verwijdering tussen de Geref. Kerken en de blanke kerken in Zuid-Afrika steeds groter wordt – wie dan ook de schuld voor deze situatie moet dragen. Dat ik daarbij alleen over de blanke kerken spreek, zie ik niet als een eenzijdigheid, want het was niet de bedoeling een balans van de GOS als zodanig op te maken, maar om dit specifieke punt naar voren te halen. Dat ik daarbij de kritische gevoelens van de kant van Zuid-Afrika nogal breed uitgemeten heb, moet u niet toeschrijven aan een bedoeling van mijn kant achterdocht tegen de Nederlandse afgevaardigden te wekken, maar aan mijn overtuiging dat de Zuidafrikaanse bladen in Nederland niet gelezen worden en dat men hier dus onkundig kan zijn ten aanzien van de harde dingen die daar van de kerken hier gezegd worden. Ik wilde graag dat de kerken hier en in Zuid-Afrika weet zouden hebben van wat van weerszijden gezegd wordt, zodat ze beter in staat kunnen zijn de situatie op de juiste wijze aan te pakken, zoveel mogelijk met uitschakeling van dingen die onnodig irriteren, zodat ze elkaar de waarheid hoorbaar kunnen zeggen. Ik wil niet dat iemand zich van de waarheid zou kunnen afmaken vanwege het feit dat allerlei onnodige irritaties de communicatie bemoeilijkt hebben. Als er van verharding sprake moet zijn, dan moet het ook duidelijk zijn dat het gaat om verharding tegen, de Heilige Schrift, niet maar om een afkeer van de manier waarop wij als broeders tegenover elkaar opgetreden zijn. Als ik dat niet goed gezegd heb, mijn excuses! Ik wil graag de goede zaak dienen, haar niet verder vertroebelen!

WD Jonker
77