De taak van de predikant – Deel 3

DE TAAK VAN DE PREDIKANT – Deel 3
Ouderlingenblad, Januari 1971 (p 73-77)

WD Jonker

In twee voorafgaande artikelen hebben we verschillende redenen genoemd waarom de taak van de predikant in onze tijd voor velen onduidelijk geworden is. Deze ‘onduidelijkheid’ is vaak zó groot, dat men geen toekomst voor dit ambt meer ziet. Het is niet vreemd dat vele theologische studenten aan een soort pastorievrees gaan lijden, omdat ze de zin van het predikantschap niet meer kunnen ontdekken. Ze vragen zich af of men niet iets beters kan doen dan dominee te worden. Daarin trekken ze de conclusies uit vele gedachten die ze in de theologische literatuur vandaag kunnen tegenkomen, en weerspiegelen zij de geest van onze tijd.

Het is zeker niet nodig dat we hier langer over deze tijdgeest of de motieven die daarin aanwezig zijn, spreken. We kunnen dit slotartfkel beter gebruiken om aandacht te schenken aan de vraag, of er doorslaggevende gronden zijn voor het voortbestaan van het ambt van predikant. Zonder een goede fundering van het ambt van de predikant zal het niet gelukken de onzekerheid en onduidelijkheid rondom dit ambt te bestrijden en zullen we steeds minder vrijmoedigheid hebben onze jeugd aan te moedigen zich voor dit ambt te bekwamen. Eveneens zal het ons niet mogelijk zijn de ‘rol’ van de predikant in de gemeente op de juiste wijze te omschrijven, waardoor de onzekerheid rondom dit ambt steeds groter moet worden.

Er ziin verschillende gronden voor de noodzakelijkheid van het ambt van predikant aan te voeren, die echter niet alle even deugdelijk zijn. Zo bij voorbeeld is het uiterst onbevredigend het ‘ambt’ van de predikant alleen op praktische gronden te willen verdedigen, dus zonder te willen spreken over de goddelijke instelling en het echte ‘ambtelíjke’ karakter van dit ambt. Toch is dit in de geschiedenis herhaaldelik geprobeerd en in onze tijd – de gèsohledenis herhaalt zich, zegt men – schijnt het weer bijzonder aantrekkelijk te zijn, op deze wijze over het ambt van de predikant te spreken. Dit komt, omdat men uit het levensgevoel van deze tijd en uit allerlei moderne opvattingen liefst zo weinig mogelijk accent op de goddelijke achtergronden van het ambt wil leggen en het ambt zo menselijk of natuurlijk mogelijk wil funderen. Dat hangt samen met wat men graag de gezagscrisis noemt en de afkeer van een ambtsopvatting, die aan de mondigheld van de moderne mens geen recht zou laten geschieden en nog steeds uit ‘paternalistische’ gedachten opgebouwd zou zijn.

Wie echter op praktische gronden de noodzakelijkheid van het ambt moet funderen, komt niet veel verder dan allerlei sociologische overwegingen over de noodzakelijkheid van bepaalde vormen van institutionalisering in iedere menselijke gemeenschap en dus ook van een bepaalde vorm van organisatie en een bepaald leiderschap. Concreet betekent het dat de kerk als gemeenschap gelijkgeschakeld wordt met alle menselijke gemeenschappen en dat de leefregels die voor alle menselijke gemeenschappen gelden, ook op de kerk van toepassing zijn. Welnu, omdat iedere menselijke gemeenschap een vorm van organisatie en leiderschap vereist, zal ook de kerk er niet zonder kunnen zijn.

Van de kant van de sociologen worden de voorstellingen van mensen als Hoekendijk en anderen die zich de kerk als een ongeorganiseerde beweging van ‘huisgemeenten’ en groepen zonder een bepaalde leiding voorstetllen, naar het rijk van de fantasieën verwezen. Zonder een vorm van leiding kan geen gemeenschap blijven functioneren of zelfs blijven voortbestaan.

Deze fundering van het ambt spreekt natuurlijk wel aan en kan ons ook helpen nuchter te blijven in een tijd waarin allerlei fantasieën over een vorm van kerkzijn zonder organisatie in omloop zijn. Toch is het duidelijk dat met deze benadering van het ambt nog maar weinig gewonnen is. Het ambt in bijbelse en kerkelijke zin is daarmee zelfs nog helemaal niet gefundeerd. Dat een bepaalde vorm van organisatie en leiderschap voor een menselijke gemeenschap noodzakelijk is, zegt over de vorm en de inhoud van deze organisatie en leiding nog niets concreets. Wie het kerkelijk ambt zó benadert, komt gemakkelijk op aflerlei zijwegen terecht en kan zelfs het ambt een verkeerde inhoud geven. De inhoud van dit ‘natuurlijk leiderschap’ is namelijk niet bij voorbaat te bepalen, maar moet afgeleid worden uit de bijzondere aard en doelstellingen van de gemeenschap, waarin het moet functioneren. Vaststaande normen voor het ambt zijn op deze wijze dus niet te geven. Menselijke gemeenschappen veranderen in de loop van de tijd; en de vorm en inhoud van het leiderschap moeten zich aanpassen bij de veranderingen. Dit houdt dus ook in dat het nog helemaal niet zeker is dat het specifieke ambt van predikant op grond van het sociologisch argument uit de bus zal komen. Op grond van sociologische overwegingen zou het best mogelijk zijn te redeneren dat het ambt van de predikant voor onze tijd juist niet meer noodzakelijk is, maar dat de kerk zich een meer aangepaste vorm van ‘leiding’ moet verschaffen. Wie op grond van dit sociologisch argument dus toch het ambt van de predikant wil verdedigen, zal opnieuw allerlei praktische redenen moeten zoeken om duidelijk te maken dat er uitgerekend een figuur als die van de predikant nodig is voor de behoeften van de gemeenschap die zich kerk noemt.

Bovendien is de fundering van het kerkelijk ambt in een algemene idee van ‘leiderschap’ uiterst onbevredigend. Het kerkelijk ambt heeft natuurlijk ook wel met leiding te maken en we spreken ook over de regering door de ambten in de gemeente, maar deze leiding is toch van een andere aard dan de leiding van gemeenschappen in het algemeen. De regering in de kerk draagt het karakter van dienst, en dan niet zozeer dienst aan de gemeenschap zonder meer, maar dienst aan de regering van Christus in de gemeente. Het regeren van het ambt in de kerk is een zeer sterk genormeerde zaak waarvan de beginselen niet af te leiden zijn uit een algemeen begrip van organisatie of leiderschap, maar enkel uit het Woord van God. Daarom zijn we er nog niet met een ‘praktische’ fundering van het ambt op sociologische gegevens. Een dergelijke fundering van het ambt maakt de ambtsdragers tot democratische ambtenaren, ontneemt hun ten diepste het eigen gezag dat aan het ambt toekomt, sluit de dimensie van de roeping door God uit en zal daarom weinig stimulerend kunnen werken op degenen die dit zogenaamd leiderschap moeten vervullen, maar zich daarbij niet mogen vastklemmen aan de overtuiging dat ze geroepenen en gezondenen van de Heilige Geest zijn.

Verwant aan deze poging om de noodzakelijkheid van het ambt van de predikant te funderen, is ook de fundering van het ambt op de persoonlijke bekwaamheden, kundigheid of professionaliteit van de ambtsdragers. Ook in deze wijze van fundering van het ambt zit een element van waarheid, want het ambt vereist zeker een hoge mate van bekwaamheid en toerusting, wil het goed functioneren. Is het ambt dienst, dan is het ook noodzakelijk dat de ambtsdragers een bepaalde toerusting voor deze dienst zullen bezitten. Er worden eisen aan de ambtsdragers gesteld vanuit de noden en behoeften van de gemeente en het is daarom onontbeerlijk dat ze door hun dienst in deze behoeften moeten kunnen voorzien. Toch moeten we hier ook weer voorzichtig zijn. De bekwaamheden als zodanig maken mensen nog niet tot ambtsdragers. Kundigheid constitueert niet het ambt. Veeleer is het zó, dat de gaven en deskundigheden van mensen pas door de roeping tot het ambt in de gemeente werkelijk in dienst worden genomen met het oog op bepaalde taken die in de gemeente verricht moeten worden. Het ambt is nog wat anders dan kundig-zijn.

Het ambt gaat bij wijze van spreken aan de dragers van het ambt vooraf en is een taak die in de gemeente verricht moet worden, nog afgedacht van de concrete begaafde of kundige mensen, die op een bepaald tijdstip in de gemeente aanwezig zijn. Het is daarom niet bevredigend het ambt alleen op de zogenaamde charismata (geestesgaven) te funderen. De geestesgaven zijn uiteraard noodzakelijk voor het goede functioneren van het ambt, maar ze komen ook buiten het ambt veelvuldig in de gemeente voor en hoeven niet altijd op dezelfde wijze aanwezig te zijn bij degenen die het ambt bekleden. Wanneer het ambt helemaal op de gaven gebaseerd zou zijn, zou het een wisselend karakter dragen, al naar gelang van de verscheidenheid van de gaven. Het ambt heeft echter een zekere blijvendheid en bundelt op een bepaalde manier allerlei gaven binnen de taak of de ‘rol’ die een bepaalde ambtsdrager in de gemeente moet vervullen. Het predikantsambt is hiervan een goed voorbeeld. Dit houdt echter in, dat het onbevredigend is om het predikantsambt alleen op de persoonlijke gaven, de kundighetd of de professionele kennis van de ambtsdrager te funderen. Deze dingen kunnen ook buiten het ambt voorkomen. Wie denkt hierbij niet aan de kundigheden van psychologen en psychiaters, psychotherapeuten en maatschappelijk werkers, die allen op de ene of de andere wijze mensen in hun nood behulpzaam zijn? Er bestaat wel in onze tijd de neiging om de predikant op één lijn te plaatsen met dergelijke maatschappelijke functies, maar het is duidelijk dat men dat alleen kan doen van een secularisering van het ambt uit. Ieder gemeentelid, ja ieder mens heeft de plicht anderen te helpen met zijn gaven en vaardigheden, maar daardoor ontstaat nog geen ambt.

Ambtsdragers zijn maar niet de kundigste of bekwaamste leden van de gemeente, laat staan nog de mensen die op de beste wijze allerlei technieken geleerd hebben om anderen te kunnen ‘helpen’. Achter het ambt staat nog wat meer.

Wij kunnen er niet omheen het ambt van de predikant te funderen op hetgeen de Bijbel ons leert aangaande de roeping van sommigen in de gemeente om het Woord van God te verkondigen. Zeker, van een predikant lezen we in de Heilige Schrift met geen woord. De specifieke figuur van de predikant is de protestantse vulling van de taak van de Woordverkondiging in de gemeente, waarvan we in de Heilige Schrift lezen. Als zodanig heeft het cultuur-historische kanten die kunnen wisselen, maar ten diepste gaat het in het ambt van de predikant om een taak die niet uit de gemeente kan worden weggedacht. Een gemeente zonder Woordverkondiging in alle verschillende gestalten en vormen die de verkondiging zou kunnen aannemen, zou geen gemeente meer zijn. Wordt de kerk van Christus niet uit het Woord geboren en leeft de gemeente niet bij dat Woord? De blijvende verkondiging van het Woord roept om een ambt dat zich helemaal voor deze verkondiging inzet. Dit is de basis van het predikantschap, en niet een algemeen leiderschap of het bestaan van allerlei bijzondere bekwaamheden. Natuurlijk kan men hier de vraag stellen of een afzonderlijk ambt wel nodig is voor de verkondiging van het Woord. Is het niet de taak van ieder gemeentelid om het Woord te verkondigen en zou het niet denkbaar zijn dat in kleine groepen (huisgemeenten) de broeders elkaar het Woord verkondigen, zonder dat een specifiek ambt ingesteld hoeft te worden? Zeker, het is de taak van iedere gelovige het Woord te verkondigen en het is ook denkbaar dat er tijden van nood kunnen zijn, waarin de gemeente zonder het bijzondere ambt kan bestaan en zelfs kan bloeien.

Toch is het uit de Bijbel volkomen duidelijk dat er vanaf het begin altijd specifieke lidmaten van de gemeente geweest zijn die in het bijzonder de roeping hadden het Woord van God te verkondigen en daarin de gemeente op een bijzondere wijze te dienen. Zo kiest Christus de twaalf apostelen; en in het Nieuwe Testament zien we nog de ontwikkeling dat de taak van de apostelen om het Woord te verkondigen, overgenomen wordt door steeds weer nieuwe geroepenen. Er zijn specifieke gaven die sommige gemeenteleden sieren en hen geschikt maken voor deze taak. Toch worden niet allen die deze gaven hebben, tot deze taak geroepen. Achter het ambt staat de verkiezing Gods. De verkiezing door de gemeente is de bevestiging van de verkiezing door God tot het ambt. Wie het ambt niet kan aanvaarden in de zekerheid dat hij werkelijk geroepen is door God tot deze specifieke taak, mist de inspiratie voor de vervulling van zijn ambt en moet noodwendig van het ambt wat anders zoeken te maken.

De hedendaagse theologische student is vaak bang voor dergelijke grote termen als verkiezing en roeping van Godswege. Toch zouden we er niet goed aan doen zijn vrees op dit punt tegemoet te komen door het ambt anders te willen funderen en door het hem aan te praten dat hetgeen hij in het ambt gaat doen, toch maar een gewone taak is die ook in andere menselijke gemeenschappen voorkomt, zodat deze taak niet noodwendig op God of op de Heilige Geest teruggevoerd behoeft te worden. Hij zal geconfronteerd moeten worden met de vraag, waarom hij theologie studeert en waarom hij blijft doorstuderen, alle vragen naar de zin van het ambt ten spijt. Dat zal toch niet alleen hieraan gelegen zijn, dat hij niet de moed heeft van studierichting te veranderen. Het zal ten diepste gezocht moeten worden En het feit dat hij ergens gegrepen is door het Woord en door het evangelie en zich er niet van losmaken kan. Hij zal zich daarbij moeten afvragen hoe dat komt en of dat niet geduid mag worden als een roeping die niet ontweken, maar met bewustheid aanvaard moet worden.

Wanneer hij dan uiteindelijk wel in de gemeente komt, zullen we hem ook van deze taak uit moeten benaderen, en hem niet een manusje van alles, geen ‘creatief leider’ en geen ‘theologisch specialist’ of ‘counsellor’ moeten maken, maar van hem moeten verwachten datgene wat zijn ambt is: zich met de verkondiging van het Woord bezig te houden. Te vaak verwachten gemeenteleden van de predikant allerlei andere dingen en stellen ze eisen waaraan hij niet mag voldoen, wil hij zich werkelijk bezighouden met deze éne taak, waartoe hij geroepen is.

Er moeten nog steeds mensen zijn die aan ons zeggen wat God zegt. De Bijbel is een boek dat om vertolking en verkondiging vraagt. De Bijbel laat zich niet zo maar verkondigen. Er is veel studie voor nodig, veel gebed en meditatie, veel omgang met God en met de mensen om de Bijbel te kunnen doorgeven. Laten we vooral niet denken dat iedereen die een poplied maakt met enkele bijbelse woorden, de zin van de Bijbel door heeft en dat we verder niets meer nodig hebben. Wil de gemeente niet ondergaan in de verveling en de oppervlakkigheid, wil de gemeente niet verzanden in het humanisme, dan zijn er zelfs meer dan ooit tevoren mensen nodig die naar het Woord kunnen luisteren en het gehoorde kunnen doorgeven. In deze taak vinden we de wijdheid, maar ook de beperktheid van de opdracht van de predikant. Dit nader uit te werken is ons hier onmogelijk. Het is echter noodzakelijk opnieuw een zicht te krijgen òp de taak van de predikant, willen we niet verdrinken in een zee van eindeloos ‘discussiëren’ van mensen die denken dat ze in een mondige tijd niet meer het Woord aangezegd behoeven te krijgen, maar die juist in hun eindeloze discussies openbaren dat ze het Woord zelf misschien nog nooit hebben gehoord. Goede, geroepen predikanten zijn nog even noodzakelijk en nodig als in het verleden!